woensdag 23 september 2009
Sprankelend landschap
De zondagen waren voor het gezin en we bezetten het middenstuk van de Veluwe. Eerst in bescheiden wandeltochtjes naar de Wapenberg. Wel een toepasselijke naam achteraf gezien. Het gebied van de opgehoogde wallen uit de ijstijd, bossen en sprengen. Langs een kerk met een uitgestrekt terrein en kleine huisjes. Daar zaten of lagen indertijd mensen die hier probeerden te genezen van tuberculoze. Het bestond allemaal en was intressant voor kinderen. Vooral kleine huisjes,waar mensen gewikkeld in dekens zitten. Het was een glorieuze tijd, waarnaar ik altijd terug zou verlangen. Het was de tijd van de luchten, de kleuren, eindeloze mistige verten, waarvan je vermoedde wat er achter lag en het uiteindelijk ook wist, maar toch altijd even geheimzinnig bleven. De grenzeloze tijd en ruimte,de overwinning en de onoverwinnelijkheid. Ja, zo voelde het. Het was een wereld, waarin het kleinste, de grootste ontroering betekende en een nooit ophoudend verlangen ernaar. Tot ik op een dag besloot weg te gaan uit Nederland en in Zweden opnieuw een land te zoeken met al deze trekken van de aardkost. Liefst in de buurt van sprengen met paden waar de braamstruiken de doorgang belemmeren en ieder klein vogelnestje een eeuwige schoonheid betekent, hoe kort het bestaan ervan ook is. Ja, en stinkende moerassen, beken waardoor ik kon waden, kuilen in de heide en enorme hoeveelheden bessen, blauwe vingers, rode lippen en zwarte voeten. Vuil mocht ik worden naar believen, hetgeen mij uitstekend beviel. Ik was een ontzettend smerig en vies kind en daar genoot ik van. De aarde was zacht en gaf mee. En zo niet, dan was ze nog zacht op de een op andere manier.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten